de Woordenschat van
George Hulskramer

Geluk
Voor mijn geestesoog verschijnen concentrische cirkels die, al naar gelang ze meer in de buurt van het centrum liggen, geluk van een steeds duurzamer en minder van omstandigheden afhankelijk karakter representeren. De buitenste cirkels staan voor de meer perifere vormen van geluk. Het karakter ervan is even vluchtig als de voortdurend wisselende omstandigheden van het dagelijks bestaan. Je prijst jezelf gelukkig als je net de laatste trein hebt gehaald, wanneer het ophoudt met regen als je de deur uit gaat of je net het laatste afgeprijsde artikel op de kop hebt getikt.
Ons in de richting van het midden bewegend stuiten we op gelukservaringen waarvan de houdbaarheidsdatum aanmerkelijk langer is. Je bent gelukkig omdat je je droombaan of het ideale huis hebt gevonden, net vader bent geworden, bent doorgebroken als schrijver of ergens de top hebt bereikt. Ondanks het meer duurzame karakter van deze geluksgevoelens gaat het ook hier om dingen die je altijd plotseling uit handen kunnen worden geslagen.
In het middelpunt stuiten we op onvoorwaardelijk geluk. Geluk dat nauwelijks van voorwaarden afhankelijk is en alles te maken heeft met ontspannen en zorgeloos aanwezig zijn in het hier en nu. Als je beroemde mensen over de grootste geluksmomenten in hun leven hoort vertellen dan hebben ze het zelden over de materiële geneugten van het bestaan, over hun succes en daarvan afgeleide zaken. Met het kleintje in het stoeltje achterop wat rondtoeren op de fiets, een stukje joggen in het bos, werken in de tuin, knutselen in het schuurtje, de hond uitlaten in het bos; als we over echt geluk spreken blijkt het bijna altijd over de ‘kleine’ dingen in het leven te gaan. Dingen die maar weinig met geld of prestige te maken hebben. Op zulke momenten krijgen we de kans even helemaal in het moment aanwezig te zijn en ons los te maken van onze eindeloze preoccupatie met het verleden of fixatie op de toekomst. Je hebt er alleen maar je zintuigen en een ontspannen geest voor nodig om van zulke tijdloze moment te kunnen genieten. ‘I got my head, I got my eyes, I got my nose, I’ve got life’, zo werd veertig jaar geleden door een koor van hippies het wonder van het bestaan bezongen. Is dat op zich geen reden om onvoorwaardelijk gelukkig te zijn?
Hoop
Hoop of vertrouwen? Als het woord hoop valt, dienen zich nogal tegenstrijdige associaties aan. Aan de ene kant is er natuurlijk niets verkeerds aan te hopen dat je snel van pijn of ongemak verlost zult worden of dat de reddingswerker je zwaaiend met je zakdoek op het dak van je huis zal zien staan. Hopen op iets wat nog moet komen, op verlichting, de hemel op aarde, dat je je angst of eigenaardigheden zal overwinnen en een gelukkiger en ‘beter’ mens zult worden. Wat koop je er in het hier en nu in feite voor? Beginnen alle vermageringskuren ook niet altijd ‘morgen’? Het komt over als het wachten op een trein die waarschijnlijk nooit komt en weerhoudt ons ervan in het hier en nu een ferme daad te stellen.
Vertrouwen. Is het niet veel beter erop te vertrouwen dat het goed is dat de dingen gaan zoals ze gaan, dat het leven ondanks onze hoop en vrees, altijd het beste met ons voor heeft? Of zo’n houding gerechtvaardigd is zal natuurlijk iedereen in de loop van zijn leven zelf moeten ontdekken. Zelf bezit ik dit vertrouwen in hoge mate. Terugkijkend op de zestig jaar die achter mij liggen zie ik door de dingen die ik zelf heb besteld of door zelfwerkzaamheid naar me toe getrokken heb, dikke draden lopen die de boel bij elkaar houden en mijn lot in grote lijnen hebben bepaald. Draden waarvan ik achteraf moeilijk kan zeggen dat ik die hoogst persoonlijk heb aangebracht. Op cruciale momenten in mijn leven zijn er altijd dingen geweest die ongewenst of onbesteld mijn pad kruisten en achteraf zeer betekenisvol bleken te zijn. Ik denk daarbij aan het huis, het stukje wereld waarin ik terecht ben gekomen, mijn partner, de mensen die spontaan in mijn leven opdoken en het een beslissende wending hebben gegeven enzovoort. Allemaal dingen die mij genoeg reden geven op het ‘toevallige’ het meest te vertrouwen.
Sterfelijkheid
Tegen de dood heb ik geen wapen nodig. Maar er is iets anders: Angst voor de dood en die is te genezen. (Hermann Hesse) Hoe kunnen we bang zijn voor iets dat we nog nooit hebben meegemaakt. Geven we ons trouwens ook niet elke avond vol vertrouwen over aan de slaap, ook wel de kleine dood genoemd? Wie garandeert ons dat we de volgende ochtend weer wakker zullen worden? En als het wonder van het ontwaken zich voltrekt staat dan niet altijd die rugzak met daarin ons hele verleden als eerste op ons te wachten. De analogie met de reïncarnatiegedachte dringt zich op maar daar gaan we nu even geen vertroosting uit putten. Laten we ons, om niet te ver van huis te raken, voorlopig even beperken tot de waak-slaapcyclus. Spreekt het niet voor zich dat hoe meer onafgemaakte zaken en problemen die rugzak bevat, hoe moeilijker het ons zal vallen om aan het einde van de dag vredig in te slapen en die vrede de hele nacht vast te houden?
Is dan niet het enige waarover we ons in het kader van onze eindigheid zouden moeten bekommer en de vraag of we op dit moment wel in vrede zouden kunnen heengaan? Dat we eens zullen sterven is een feit; hoe we sterven blijft de vraag en het antwoord daarop zal afhangen van de manier waarop wij ons leven hebben geleefd. Denk niet dat wat wij in het hier en nu in onze rugzak meetorsen op ons stervensuur niet belangrijk zou zijn. Op ons sterfbed zal blijken dat de dingen die we altijd zo belangrijk vonden, opeens niet meer zo belangrijk zijn. Wie wel eens aan het bed van een terminaal zieke heeft gezeten, zal kunnen beamen dat de meeste stervenden het nooit zullen betreuren in loonschaal 20 in plaats van 24 geëindigd te zijn. Of het nooit tot afdelingschef of directeur te hebben geschopt. Wat stervenden nog het meeste bezig houdt zijn de onafgemaakte zaken in de relationele sfeer - de ruzies die nooit zijn bijgelegd, een echtscheiding met onbevredigende afloop - waarbij het hoofd maar niet naar het hart wilde luisteren.
In het licht hiervan zou niet onze sterfelijkheid, maar juist de kwaliteit van ons leven van elke dag reden tot bezorgdheid en reflectie moeten zijn. Als we verlangen naar een leven na dood en hopen daarna in vrede te ontwaken, dan is toch het minste wat we kunnen doen ervoor te zorgen dat we nu al in vrede met onszelf en onze omgeving leven. En misschien moeten we onszelf zelfs daarover niet al te veel zorgen maken.
Zingeving
De zin van het leven? Dieren zullen zich die vraag nooit stellen. Mensen die het voor de wind gaat meestal ook niet. Degenen die vanwege honger en armoede voor hun leven moeten vechten al helemaal niet. Het is een vraag met een hoog welvaartsgehalte die we het liefst aan iemand anders voorleggen. Ooit stelde een Amerikaan zijn Japanse zenleraar Shunryu Suzuki de vraag naar de zin van het leven. Het antwoord was verbluffend eenvoudig, ‘Jouw leven’. Het is niet meer dan wat de vraagsteller er hoogst persoonlijk van maakt. En wie een ander naar de zin van het leven vraagt wekt al gauw het vermoeden geneigd te zijn de schuld van alles wat hem niet bevalt in zijn leven, in andermans schoenen te schuiven. Deze zenmeester had aan een paar woorden genoeg om het wezen van spiritualiteit onder onze aandacht te brengen. Misschien is het daarom beter dat we zo snel mogelijk ophouden onze goeroes, vrienden of desnoods aan de hemel te vragen naar de zin van het bestaan te vragen. Die zin zullen we allemaal op hoogst individuele wijze gestalte moeten geven. De zin van het leven; misschien zijn er wel evenveel soorten en maten ‘zin’ als er mensen op aarde rondlopen.







